VV03 omslag 600
September 2025

‘De hoogste tijd om in een doe-modus over te gaan’

Robert Jan van Egmond, programmamanager Duurzame Warmte en Koude bij TKI Urban Energy

Robert-Jan-van-Egmond-05‘Bied aansluiting op warmtenet aan volgens het glasvezelmodel’

‘De warmtetransitie moet en kan sneller. We laten ons nog te veel verlammen door keuzes, angst en eindeloze rapporten. Beter doen en leren van fouten, dan niets doen. Dat is echt geen optie meer’, vindt Robert Jan van Egmond, Programmamanager Duurzame Warmte en Koude bij TKI Urban Energy. Als nieuwe, extra route in de transitie wijst hij graag naar uitwisselingsnetten op zeer lage temperatuur (ZLT). ‘Alles kan daar een bron en een afnemer zijn.’

We gaan lang niet hard genoeg om het doel te bereiken dat we voor 2030 hebben gesteld: 1,5 miljoen woningen en gebouwen van het aardgas af, waarvan 500.000 door aansluiting op een warmtenet. Het wil in de praktijk nog niet echt lukken. Van Egmond: ‘Het aantal individuele, al dan niet hybride warmtepompen groeit best hard. De technieken en de businesscases worden daar steeds beter. Maar juist de collectieve oplossingen, met name warmtenetten, liggen praktisch stil. Als we dit jaar een paar duizend aansluitingen halen in de bestaande bouw, mogen we al blij zijn. We hadden nu op een tempo van zo’n 70.000 aansluitingen per jaar moeten zitten om de doelstellingen te halen.’

Struikelblok

Over de vraag hoe het komt dat vooral warmtenetten maar niet van de grond komen, hoeft Van Egmond niet lang na te denken. ‘De belangrijkste reden is betaalbaarheid. De aanleg van een infrastructuur voor warmtenetten is ingrijpend en kostbaar. Het rondkrijgen van de businesscase kan lastig zijn, vooral als er bij de planvorming onvoldoende interesse is van warmteafnemers. Je moet een minimaal aantal deelnemers hebben om tot een rendabele businesscase te komen: zo’n 70 of 80 procent van de bewoners, maar in de praktijk stranden projecten op percentages die onder de 50 procent liggen.’ ‘Een ander punt is dat gemeenten aan zet zijn om keuzes te maken. Daar is vaak onvoldoende kennis aanwezig om de uiteenlopende opties te beoordelen en zowel de financiën, de sociale kant als de regelgeving te overzien. Ze laten rapport op rapport opstellen en laten daar vaak ook nog weer een second opinion op los. Dat werkt verlammend en drijft de kosten op. Laatst hoorde ik dat tot wel 30 procent van de kosten van een warmtenet in de bestaande bouw bestaat uit onderzoeken, rapporten en overleg. Dat is veel te veel. Tot slot hebben we te maken met split incentives. De maatschappelijke winst van een duurzaam warmtenet ziet de afnemer vaak niet terug in de portemonnee.’ 

Leren van fouten

Het zijn allemaal plausibele redenen voor de impasse. Maar geen van de obstakels is onoverkomelijk, vindt Van Egmond. Versnelling is wel degelijk mogelijk. ‘Met de komst van de nieuwe WCW - Wet collectieve warmte – en de WGIW – Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie – ontstaat er meer duidelijkheid over de spelregels en het eigenaarschap van warmtenetten, maar ook over de eindstreep voor de levering van gas aan wijken. Dat zal zeker gaan helpen.’ ‘Er komen ook nieuwe technieken aan, zoals compacte warmteopslag, ZLT-netten en ondiepe geothermie, die oplossingen bieden voor bestaande knelpunten. De woningvoorraad verbetert door de isolatieopgave, zodat de warmtevraag afneemt en we minder afhankelijk worden van netten op hoge temperaturen. Gelukkig ontstaat er langzaam aan ook meer inzicht in de impact van warmtenetten op de belasting van het elektriciteitsnet en kunnen we dat beter meewegen.’

‘Het wordt nu dus echt de hoogste tijd om in de doe-modus over te gaan. Beter doen en leren van fouten, dan niets doen. Dat is echt geen optie.’

Bewoners overtuigen

Het allergrootste knelpunt – de bereidwilligheid van bewoners – blijft wel de lastigste volgens Van Egmond. ‘We kunnen heel goed rekenen aan technieken, business cases en governance structuren. Maar wat ons niet goed lukt is om bewoners te overtuigen aan te sluiten. Dat hangt als het zwaard van Damocles boven de markt. We zullen moeten zorgen voor een aantrekkelijker aanbod. Niet alleen financieel, maar ook qua ontzorging, transparantie, begeleiding en fasering.’ ‘Laat bewoners bijvoorbeeld op hun eigen natuurlijke moment aansluiten op het warmtenet. En bied aansluiting aan volgens het glasvezelmodel. Je legt de basisinfrastructuur aan en zodra iemand aansluit, gaat die vastrecht betalen. Natuurlijk moet je wel werken aan een zo hoog mogelijke (initiële) volloop en een datum vastpinnen waarop aardgas in het betreffende gebied stopt.’ Hij beseft dat de businesscase daardoor verder onder druk zal komen te staan. Want je gaat iets aanleggen waar aanvankelijk nog maar weinig afnemers gebruik van maken. ‘De onrendabele top wordt groter. Dat klopt. Maar ik denk dat een duidelijke visie, een aantrekkelijk aanbod en een goed stappenplan uiteindelijk altijd tot een acceptabele businesscase zullen leiden. Misschien niet voor netten met grote bronnen op hoge temperaturen, maar wel voor schaalbare netten op lage temperaturen.’

ZLT-u-netten

En zo komt Van Egmond uit bij een van zijn favoriete onderwerpen: zeer lage temperatuur-uitwisselingsnetten, ofwel ZLT-u-netten. Van Egmond ziet die niet zozeer als dé oplossing, maar wel als een kansrijke extra route in de warmtetransitie. ZLT-u is een systeem dat warmte en koude distribueert op temperaturen tussen de 10 en 30 °C. Aanzienlijk lager dus dan bij traditionele warmtenetten. De netten zorgen voor verwarming én koeling door de warmte- en koudevraag zo veel mogelijk lokaal uit te wisselen tussen de aangesloten gebouwen en/of door warmte en koude tijdelijk op te slaan in buffers. Daardoor vermindert de vraag naar energie van het elektriciteitsnet en vormen deze netten minder een gevaar als het gaat om netcongestie. ZLT-u-netten kunnen gebruikmaken van lokale bronnen als bodemenergie, aquathermie en aardwarmte. Maar ook van de restwarmte van aangesloten afnemers, zoals supermarkten en datacenters of van alle woningen die in de zomer koelen. Door de lage temperatuur in ZLT-u-netten is het warmteverlies in het leidingnet beperkt. Op locatie wordt de temperatuur met een individuele water/waterwarmtepomp naar het gewenste niveau gebracht. 

Het nieuwe denken

Van Egmond: ‘Hoe lager de aanvoertemperatuur, hoe meer lokale duurzame bronnen van warmte er beschikbaar zijn en hoe efficiënter de benodigde warmte kan worden opgewekt. Met een lage temperatuur werkt een warmtepomp 25 procent zuiniger en heeft een warmtenet veel minder warmteverlies.’ De meest voor de hand liggende plekken om deze netten aan te leggen, zijn volgens Van Egmond wijken waar all electric de voorkeursroute was, maar netcongestie roet in het eten gooide. ‘Ook in wijken waar nog een grote isolatieopgave is, kun je al een schaalbaar ZLT-u-net aanleggen voor in eerste instantie de verbeterde huizen. De gebouwde omgeving blijft in beweging, waardoor op termijn vrijwel alle bestaande woningen een stuk beter geïsoleerd zullen zijn.’ ‘Daarnaast daalt de warmtevraag ook door mildere winters. Waarom ontwerpen we dan hoogtemperatuurnetten op basis van het gasverbruik van gisteren en dimensioneren we die op de woning met de hoogste warmtevraag? Die oplossing is voor de verbeterde woningen snel te duur en uiteindelijk komt de business case onder druk te staan. Een nieuwe
manier van denken is: waar willen we uitkomen? En leg dan een systeem aan dat in het eindplaatje
de oplossing is. Tegelijkertijd help je iedereen naar dat eindplaatje toe te groeien en aan te sluiten.’

Warmte oogsten

Beleidsmakers en ontwerpers zijn bij het bedenken van duurzame warmteoplossingen te veel gefocust op warmtevoorziening, merkt Van Egmond. ‘We zouden veel meer moeten kijken naar het oogsten van warmte in de zomer voor gebruik in de winter. Dus het hergebruiken van warmte die normaal gesproken verloren zou gaan. Dit draagt bij aan een duurzamer energiesysteem en lagere energiekosten.’ ‘Oogsten en opslag van warmte worden dus steeds belangrijker. Bodemenergie, aquathermie en wko, passen daar heel goed bij. Met oppervlaktewater dat in de zomer heel warm wordt, kan je bijvoorbeeld mooi de wko laden. Als je in je woning de airco aanzet en warmte maakt, kan je die in een wko opslaan, zodat je die in de winter weer kunt gebruiken.’ ‘Ik hoorde laatst dat de restwarmte van alle datacenters in en rond Amsterdam, de hele gebouwde omgeving van Amsterdam van warmte zouden kunnen voorzien. Die restwarmte is rond de 25 °C. Warmtenetten laten die bron nu veelal links liggen, omdat het een te lage temperatuur zou zijn. Dus al die warmte gaat nu gewoon de lucht in. Maar de ZLT-ugedachte is: vang die laagtemperatuurwarmte met een ZLT-u-net op, dan kunnen woningen er met een individuele warmtepomp hun eigen producten van maken. Uiteindelijk komt het erop neer dat iedereen in een ZLT-u-net zowel een bron als een gebruiker is. Door alle kleine beetjes met elkaar te verbinden, zorg je dat niemand meer koude of warmte weggooit, zodat er zo min mogelijk grote bronnen nodig zijn.’ 

Mijnwater-net

TKI Urban Energy heeft onlangs negen voorbeelden van succesvolle ZLT-netten beschreven in een rapport. Ter inspiratie voor de markt. ‘Hét voorbeeld in Nederland is het Mijnwater-net in Heerlen. Omdat het een 5de generatie systeem is met grootschalige opslag en veel bronnen, waaronder een supermarkt die voor meer dan 200 woningen warmte levert. Het overschot aan warmte bij de ene afnemer wordt gebruikt voor de verwarming van een andere woning of gebouw. Indrukwekkend is ook de opslag in mijnschachten. Daardoor is er altijd toegang tot duurzame warmte en koude en zien de bewoners de oude mijnen toch nog van nut worden. Interessant is dat in het opgestelde masterplan een overschot aan warmte wordt voorzien.’ 

Randvoorwaarde

De mogelijkheid om ook te kunnen koelen, zou een randvoorwaarde moeten zijn bij de toekomstige ontwikkeling van warmteplannen bepleit Van Egmond. ‘Het KNMI heeft onlangs onderzoek gedaan. Daarin is geconcludeerd dat het huidige Nen-jaar, waarop nieuwbouw wordt gedimensioneerd, in de winters prima voldoet, maar in de zomers niet meer. Die worden steeds warmer, weten we nu.’ ‘Alle woningen die we bouwen op basis van de oude norm, lopen het risico in de zomers te vaak te warm te worden. Zeker met het oog op de toekomst, waarin die warmere zomers alleen maar vaker zullen voorkomen. Om die reden wordt de huidige Nen 5060:2021, die de referentieklimaatgegevens voor gebouwen beschrijft, aangepast. Een recent rapport van Nieman laat zien dat we straks met maatregelen als zonwering en groen niet meer voldoende wegkomen. Er blijft een actieve koelvraag over. Daarom is een warmtepomp, al dan niet verbonden aan een warmtenet, die zowel kan verwarmen als koelen, wat mij betreft altijd een goede keuze.’

Gun bewoners tijd

De all-electric ready hybride warmtepomp vindt hij in dat opzicht een interessante oplossing voor de individuele route. ‘Ik zie in de praktijk nog te vaak dat er een hybride warmtepomp wordt geplaatst zonder dat de installateur een doorkijkje geeft naar de volgende stappen. Het einddoel moet immers altijd aardgasvrij zijn. Met de all-electric ready hybride warmtepomp kan de bewoner eerst een poosje meten wat er gebeurt in de woning en wat er nog mist om de volgende stap te maken. Of dat nu isolatie, een accu of een ander afgiftesysteem is. Langzaam werk je dan toe naar een zo laag mogelijke aanvoertemperatuur en zo min mogelijk aanspraak op het elektriciteitsnet.’ En zo komt hij tot slot toch weer uit bij zijn favoriete onderwerp: ‘Zoals op vele vlakken in de maatschappij, zie ik ook in de warmtediscussie een sterke mate van polarisatie. Het is óf een warmtepomp óf een warmtenet. ZLT-u-netten zijn in feite ‘the best of both worlds’: een combinatie van warmte-infra met warmtepompen. Gun bewoners de beste bron voor de eigen warmtepomp en gooi geen warmte of koude meer weg. En gun bewoners een eigen moment om aan te sluiten. Daar gaan dan wat jaren overheen, maar je kunt wel morgen beginnen met graven en de eerste woningen aansluiten.'

 

Robert Jan van Egmond

Robert Jan van Egmond (53 jaar) studeerde Technische Bedrijfskunde en Management, Science & Industrial engineering aan de TU Eindhoven. Na twintig jaar als ondernemer actief te zijn geweest, deed hij ervaring op met verduurzaming; van grootschalige zon- en ledprojecten tot en met het verduurzamen van de warmtevraag in utiliteitsgebouwen. Sinds 2020 is hij Programmamanager Duurzame Warmte en Koude bij TKI Urban Energy. In die functie verbindt en ondersteunt hij bedrijven en kennisinstellingen bij de ontwikkeling en toepassing van innovatieve technieken en processen om woningen en wijken duurzaam te verwarmen én koelen.

Tekst: Astrid Zoumpoulis – Verbraeken
Fotografie: Marco De Swart (met dank aan Eteck)