Mei 2025
‘Effect warmtepomp op energienet bij écht koude winters nog niet gemeten’
Interview met Maarten Hommelberg, directeur bij BDH Advies
Begin dit jaar publiceerde BDH Advies een eerste tussenrapportage over de netimpact van woningen met een warmtepomp. Dit rapport is gebaseerd op slimme meterdata tijdens de relatief warme winter 2023/2024. In 2026 verschijnt een eindrapport, maar de rapporteurs hopen eigenlijk nog op een strenge winter. Pas dan zou het mogelijk zijn om op basis van metingen verdergaande conclusies te trekken over het effect van de warmtepomp op de elektriciteitsnetten.
Maarten Hommelberg, directeur bij BDH Advies, doet samen met zijn team al sinds 2022 onderzoek naar de praktijkprestaties van warmtepompsystemen in Nederlandse woningen. In dat jaar ging de zogeheten Installatiemonitor van start, een permanent onderzoek dat is opgezet door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), Netbeheer Nederland en Techniek Nederland.
‘Met de Installatiemonitor willen we inzicht krijgen in de prestaties van warmtepompen en hun impact op het elektriciteitsnetwerk. Hiervoor verzamelen we, met toestemming van de deelnemers, gegevens uit slimme meters. Deze meters registreren elk kwartier het elektriciteitsverbruik en elk uur het gasverbruik. Aanvullend verzamelen we ook de gegevens over woningtype en samenstelling van de huishoudens. Ook voeren we soms enquêtes uit om extra informatie op te halen. Deze vorm van onderzoek loopt in elk geval nog tot 30 juni 2026’, vertelt Hommelberg.
Zesduizend woningen
Inmiddels zijn al drie versies van de Installatiemonitor gepubliceerd, en elk jaar doen meer woningen mee aan het onderzoek. ‘We zitten inmiddels al op ruim zesduizend woningen van wie we de energiemeters mogen uitlezen. Van die zesduizend woont ongeveer de helft in een vrijstaande woning en ruim een kwart in een ‘twee-onder-één-kapper’. De rijwoningen zijn in deze poule nog ondervertegenwoordigd, en dat geldt zeker voor de appartementen. Er zijn nu maar 50 appartementen – vooral penthouses – die aan dit onderzoek meedoen.’
Volgens Hommelberg zijn de meeste deelnemers ook over het algemeen intrinsiek gemotiveerde mensen voor de verduurzaming. Dat wil zeggen dat ze tot de early adopters behoren als het gaat om de aanschaf van duurzame installaties. ‘Bovendien heeft 95 procent van de deelnemers ook zonnepanelen op hun dak en heeft 20 procent van hen een elektrische auto – vaak met laadpaal – voor de deur. En dat is een veel hoger aantal dan de gemiddelde Nederlander. Verder blijkt uit de data dat driekwart van de zesduizend deelnemers een hybride warmtepompsysteem heeft en een kwart een all-electric systeem.’
De komende periode hopen Hommelberg en zijn team het aandeel rijtjeswoningen te verhogen. ‘Dat is nog best lastig, zeker nu de verplichting is geschrapt om bij ketelvervanging ten minste een hybride warmtepompsysteem te installeren. Wij hadden eerlijk gezegd gedacht dat we nu inmiddels bij de early majority waren aanbeland, als het gaat om huishoudens die een warmtepomp laten installeren. Maar de snelheid waarmee mensen voor een warmtepomp kiezen is duidelijk afgezwakt.’
Verliesoppervlak
Naast de Installatiemonitor kwam begin dit jaar de rapportage uit over de ‘Netimpact van woningen met een warmtepomp op basis van de slimme meterdata’. Het onderzoek gaat over de netimpact van zowel hybride als all-electric warmtepompen. Daarnaast omvat het onderzoek zowel de totale netbelasting van een woning als de bijdrage van afzonderlijke apparaten zoals zonnepanelen en elektrische voertuigen. Met dit onderzoek wil BDH Advies inzicht bieden in hoe warmtepompen het elektriciteitsnet belasten, inclusief de variatie in piekvraag door seizoenen en woningkenmerken.
‘Zoals gezegd zijn de woningen in dit onderzoek gemiddeld genomen groter dan het gemiddelde van de Nederlandse woningvoorraad. Juist de echt kleine woningen hebben een onderrepresentatie, waardoor het toch lastig is om over die categorie goed gefundeerde uitspraken te doen.’
Desondanks bracht het onderzoek enkele bijzondere feiten naar boven, vindt Hommelberg. Om de woningen juist voor het aspect netcongestie goed te kunnen vergelijken, moest BDH uitzoomen. Daarvoor zijn de deelnemende woningen in groepen onderverdeeld. ‘Dit doen we op basis van verliesoppervlak. Het verliesoppervlak van een woning is de sterkste voorspeller van het piekvermogen. Het verliesoppervlak kun je samenstellen door de verhouding tussen vloeroppervlak en schiloppervlak. Zo konden we de duizenden woningen die in dit onderzoek meededen in zes groepen verdelen. De groepen variëren in verliesoppervlak van 0-200 m2, 200-300 m2, 300-400 m2, 400-500 m2, 500-600 m2 en >600 m2.’
‘Snelheid -waarmee -mensen voor -warmtepomp kiezen -duidelijk afgezwakt’
Eerste stap
‘Voor zowel hybride als all-electric warmtepompsystemen geldt dat een groter verliesoppervlak tot een hogere warmtevraag in de woning leidt en daarmee tot een hogere piekbelasting van de warmtepomp. De bouwperiode van een woning blijkt niet voor een duidelijke invloed op het piekvermogen te zorgen.’ Volgens Hommelberg kun je dit mogelijk verklaren doordat mensen vaak ook renovaties doorvoeren als ze de energieprestaties van oudere woningen willen verbeteren. Wel is het volgens hem duidelijk dat vrijstaande woningen hogere pieken vertonen vanwege hun grotere oppervlak en hogere warmtevraag.
‘Dat veel mensen toch liever een hybride warmtepompsysteem dan een all-electric systeem kiezen, komt denk ik doordat ze de hybride als een eerste (tussen)stap zien. Als ze direct naar all-electric willen, moeten ze over het algemeen meer investeren, omdat vaak ook de isolatie en het afgiftesysteem moeten worden aangepakt.’
Zodra het kouder wordt, nemen de gelijktijdige piekvermogens van alle woningen toe. Uit het onderzoek blijkt echter dat bij woningen met een hybride warmtepomp er een bovengrens is. Als de temperatuur buiten rond het vriespunt ligt, neemt de cv-ketel in een hybride systeem in de meeste situaties de warmtevraag over. In sommige huizen al eerder en in andere weer iets later. Daarom zien de onderzoekers weinig verschil in het vermogen dat hybride warmtepompen vragen bij temperaturen tussen 3 en -3 °C.
Voldoende vermogen
‘Het is voor het onderzoek jammer dat het in de winter die wij nu hebben bekeken, niet kouder werd dan -3 °C. Zo hebben we uit de data nergens kunnen achterhalen dat bijvoorbeeld het elektrisch element van de warmtepompen moest bijspringen. Om dat effect te kunnen zien zal het, zo denken wij, toch echt -10 °C of kouder moeten worden. Tegelijk kun je hieruit ook concluderen dat installateurs in ons land in elk geval warmtepompen met voldoende vermogen installeren. Maar we zouden een echt koude winter moeten hebben om te zien of het vermogen van de geïnstalleerde warmtepompen ook toereikend is bij temperaturen van -10 °C of zelfs nog kouder, zonder dat het elektrisch element bijspringt.’
Wat het onderzoek, ondanks de milde winter, wel aantoont, is dat een woning met all-electric warmtepomp hogere gelijktijdige pieken op het elektriciteitsnet veroorzaakt dan een woning met een hybride systeem. Voor de voorbeeldwoning ligt het gelijktijdige vermogen bij hybride warmtepompen rond de 1,7 kW, terwijl dit bij all-electric warmtepompen 2,8 kW is. De onderzoekers hebben wel via een simulatie gekeken wat het opgenomen vermogen zou zijn als het buiten -10 °C zou worden. Voor de hybride warmtepompen zou het nagenoeg geen effect hebben, omdat vrijwel overal de ketel aanspringt. Voor een woning met klein verliesoppervlak loopt, als het elektrisch element aanspringt, het gemiddeld opgenomen vermogen op naar 2,2 kW en naar 4,2 kW voor woningen met het grootste verliesoppervlak.
Afgegeven vermogen
Omdat veel van de woningen die in de monitoring zijn opgenomen, ook pv-panelen en geregeld ook een laadpaal hebben, konden de onderzoekers goed zien hoe het opgenomen en afgegeven vermogen van de verschillende installaties zich verhouden. ‘We zien duidelijk dat voor alle woningen met zonnepanelen de gelijktijdige terugleverpieken doorgaans een stuk hoger liggen dan de gelijktijdige opgenomen pieken. Dat is ook logisch, omdat zonnepanelen bij de meeste woningen op vrijwel hetzelfde moment energie terugleveren, doordat de zon overal rond dezelfde tijd schijnt’, zegt Hommelberg.
Het gemiddelde piekvermogen per woning – dat is de volledige woning inclusief pv-panelen, elektrische voertuigen (EV) en warmtepomp – ligt aanzienlijk hoger dan het gelijktijdige vermogen van alle woningen samen. Voor de voorbeeldwoning met een hybride warmtepomp en pv en laadpaal is het maximaal opgenomen vermogen gemiddeld 6,3 kW. Voor een woning met all-electric warmtepomp met hetzelfde verliesoppervlak is dit gemiddelde 9,2 kW. Het onderzoek laat ook zien dat deelnemers aan de Installatiemonitor hun elektrische voertuigen meestal laden met een vermogen tussen 6 en 11 kW. De impact van elektrische vervoer op het benodigd piekvermogen van een woning is normaal gezien een stuk groter dan het piekvermogen dat voor de warmtepomp nodig is.
Piekmomenten vermijden
Hoewel de onderzoekers van BDH Advies met hun rapportage geen oplossingen of maatregelen aandragen om de netimpact te verkleinen, heeft Hommelberg daar wel ideeën over. ‘Naast onderzoeker bij BDH Advies vervul ik ook de functie van directeur bij Team Duurzaam Installeren (TDI). Dit is een samenwerkingsverband van acht koplopers in de installatiebranche die samen optrekken om technische uitdagingen van de duurzame energietransitie op te pakken. De bedrijven binnen TDI kijken bijvoorbeeld ook op welke manieren zij hun klanten kunnen helpen om de problematiek van netcongestie aan te pakken. Dat betekent dat we technische manieren onderzoeken waarmee eindgebruikers de piekmomenten kunnen vermijden. In feite gaat het erom dat we als installatiewereld zorgen dat er flexibiliteit in een woning ontstaat. Dat kan bijvoorbeeld door buffercapaciteit in een cv-installatie of afgiftesysteem te creëren.’
‘Persoonlijk denk ik dat bewoners best bereid zijn om tijdens piekmomenten een temperatuurdaling van 0,5 of 1 °C te accepteren, als hun warmtepomp daardoor op de drukke tijden niet aan hoeft. Daarvoor heb je dan weer een zogeheten Home energy management system (HEMS) nodig. Tegelijk kun je ook daarmee maar tot op een bepaalde hoogte de congestie voorkomen. Bij een hele koude winter zal een bewoner niet bereid zijn om zijn warmtepomp uit te laten als de binnentemperatuur daardoor 3 of 4 °C zakt. Ook is het niet realistisch om bewoners te vragen om in een buffer van bijvoorbeeld 500 liter te investeren, omdat daarmee het collectieve doel is gediend. Er is dus een grens aan wat je van een bewoner voor maatregelen kunt vragen.’
‘Als installatiewereld -zorgen dat er flexibiliteit in woning ontstaat’
Flexibiliteit inkopen
Wat de komende jaren zeker gaat helpen zijn economische incentives, verwacht Hommelberg. Zodra het piektarief een feit is, kunnen energie-afnemers op basis van prijsprikkels beslissen of en wanneer ze het beste elektriciteit afnemen. ‘Op zo’n moment worden ook investeringen in buffers, batterijen en HEMS ineens veel interessanter. Alleen hebben netbeheerders op dit moment niet de mogelijkheid en middelen om die energieafname via dergelijke economische incentives te sturen. Hun enige optie op dit moment is eigenlijk alleen meer koper in de grond.’
‘Een netbeheerder kan eventueel wel flexibiliteit inkopen. Dat betekent dat bijvoorbeeld een collectief van gebruikers een bepaald deel van hun afname aanbiedt om deze op gezette tijden te kunnen uit- of inschakelen. Je ziet dat dit al wel bij industrie- of bedrijfsterreinen gebeurt, maar in de woningbouw is dit lastig te organiseren. Ik heb in een vorige functie hiernaar onderzoek gedaan voor een wijk met nul-op-de-meter woningen. We wilden toen de aansluiting van die hele wijk als flexibel aansluitvermogen aanbieden. Maar juist vanwege organisatorische redenen is dat toen niet van de grond gekomen.’
Toch denkt Hommelberg dat er in de toekomst meer mogelijkheden zullen ontstaan om dergelijke clusters – ook in de woningbouw – te vormen. ‘We hebben het dan over ‘aggregators’ die een logische gesprekspartner voor de netbeheerders kunnen vormen.’
Bundeling
Deze aggregators bestaan bijvoorbeeld al wel in Finland en de Verenigde Staten, maar hier kent Hommelberg ze nog niet. ‘Deze marktpartijen ontstaan vooral in landen met relatief slechte netwerken. Als de netcongestie bij ons verder toeneemt, zou het niet vreemd zijn als die partijen hier ook opstaan. Dat zouden eventueel installatiebedrijven kunnen zijn die bijvoorbeeld gelieerd zijn aan energieleveranciers of die grote contracten met woningverhuurders hebben. Ik denk wel dat veel mensen, vooral bewoners, een drempel over moeten, wanneer ze hiervoor toestemming willen geven.’
‘Daarnaast moeten die marktpartijen een HEMS in die woningen installeren. Je kunt dan aan contractvormen denken waarbij de consument een vergoeding krijgt als hij of zij toestaat dat de binnentemperatuur in hun woning mag afwijken van hun setpoint: bijvoorbeeld 0,5 °C lager levert 10 euro op en 1 °C lager levert bijvoorbeeld 20 euro op. Ook zou je een vergoeding kunnen geven als consumenten een batterij plaatsen of leasen, zodat die bij netcongestie kan worden ingezet. Ongetwijfeld komen daarvoor nog meer innovatieve modellen en technieken beschikbaar, zodra de markt met variabele en piektarieven kan werken. Zeker als die sturing ook per wijk of gemeente kan worden gerealiseerd.
Tekst: Rob van Mil
Fotografie: Eric de Vries