Omslag_VV05-200
Februari 2019

Markt voor zonnestroom breekt alle records

Nationaal Solar Trendrapport 2019

VV02 05 iStock-869766358

Het houdt maar niet op. De groei van de zonne-energie breekt alle records. In 2018 is een geïnstalleerd vermogen gerealiseerd van minstens 1.330 MWp. Dankzij deze groei is het ­totaal opgesteld zonnestroomvermogen in Nederland in één jaar van 2,9 GWp naar 4,2 GWp gegroeid, een groei van 46 procent. De afgelopen vijf jaar lag de groei in Nederland gemiddeld 40 procent hoger dan de wereldwijde groei. Dit blijkt uit onderzoek het Nationaal Solar Trendrapport 2019.

Dat de markt voor zonnestroom ook in 2018 weer een groei zou laten zien, lag voor de hand. Maar dat de groei zo spectaculair zou zijn, lag minder in de lijn der verwachting. Opnieuw met dank aan sde+. Met name de najaarsronde van deze stimuleringsregeling heeft de verkoop een enorme boost gegeven, zo blijkt uit het Nationaal Solar Trendrapport 2019. De afgelopen vijf jaar lag de groei in Nederland gemiddeld zo’n 40 procent hoger dan de wereldwijde groei.
Het Nationaal Solar Trendrapport is gebaseerd op een steekproef van zestig bedrijven die in de Nederlandse zonnestroommarkt opereren. Respondenten zijn installateurs, epc/project-ontwikkelaars, groothandels en fabrikanten van montagesystemen. Het geïnstalleerd zonnestroomvermogen is gebaseerd op data verzameld van fabrikanten van montagesystemen die in de Nederlandse zonnestroommarkt opereren. Voor het rapport is tevens gebruik gemaakt van gegevens uit een steekproef onder 1.360 Nederlandse consumenten. Hiervoor is samengewerkt met Motivaction.
In 2018 is 62 procent van het geïnstalleerd vermogen in de zakelijke sector geplaatst en 38 procent in de residentiële sector. Het totaal opgesteld zonnestroomvermogen in Nederland groeide daarmee naar 4,2 GWp. Dit vermogen leidt tot een elektriciteitsproductie van ongeveer 3,8 TWh op jaarbasis, oftewel 3,3 procent van de totale netto Nederlandse elektriciteitsproductie in 2017.
De zakelijke markt groeit harder doordat een relatief groter deel van de sde+-subsidie naar zonnestroom gaat. Dit komt onder andere door de sterke prijsdaling die zonnestroom doormaakt en doordat de ontwikkeling van technieken zoals wind op land en biomassa, relatief vaker vertraging oplopen en meer capaciteit en tijd vereisen. Tegelijkertijd is het sde+-budget de afgelopen jaren sterk uitgebreid. In 2015 bedroeg het budget hiervoor nog ‘slechts’ 3,5 miljard euro, in 2017 en 2018 was het budget verruimd naar 12 miljard euro.

Prijsdaling pv-panelen

Al jaren achtereen is er een gestage daling waar te nemen in de prijzen van de zonnepanelen. In 2018 was dat niet anders en de verwachting in de markt is dat deze trend de komende jaren zal doorzetten. Sinds 1976 heeft elke verdubbeling van het aantal geproduceerde panelen tot een kostendaling van 28,5 procent geleid. In de afgelopen jaren hebben verschillende factoren een rol gespeeld in deze prijsdaling. Tussen 1980 en 2012 waren de belangrijkste factoren achter de kostendalingen onderzoek en ontwikkeling, schaalvergroting en de toegenomen efficiëntie van zonnepanelen.

Zonnestroom is sinds 2015 goedkoper dan STEG-centrales

Sinds 2000 speelt R&D een kleinere rol in het realiseren van kostenreducties en zijn recente kostendalingen steeds vaker toe te schrijven aan schaalvergroting. Maar er wordt rekening mee gehouden dat aan deze trend een einde zal komen en dat verdere kostendalingen minder aan de orde zullen zijn. Want, zo is de verwachting, productielijnen zullen niet oneindig worden vergroot. Volgens het International Energy Agency heeft het overheidsbeleid een belangrijke rol gespeeld in de prijsdaling door het stimuleren van R&D en schaalvoordelen. Het geïnstalleerde zonnestroomvermogen heeft daardoor bijvoorbeeld in Duitsland een enorme groei laten zien; een groei die zonder de terugleversubsidies uit de Erneuerbare-Energien-Gesetz (Duitse wet- en regelgeving voor hernieuwbare energie) onwaarschijnlijk was geweest. Die ontwikkeling gaf niet alleen de Duitse, maar ook de wereldwijde markt voor zonnestroom een enorme impuls. In 2017 lag er 42 GWp aan geïnstalleerd zonnestroomvermogen in Duitsland, het tienvoudige van het Nederlandse vermogen.

VV02 05 iStock-956831620Vooral de zakelijke markt voor pc-systemen deed het in 2018 goed.

Kosten opwekking

Zonnestroom is sinds 2015 goedkoper dan steg-centrales (stoom en gas centrale) en is daarmee na windenergie de goedkoopste vorm van energieopwekking op basis van de Levelized Cost of Energy (LCoE). Ten opzichte van 2017 is de LCoE van zonnestroom met 14 procent gedaald en is windenergie nog slechts 1 dollar per MWh goedkoper dan zonnestroom. In 2018 is de LCoE van zonnestroom het hardst gedaald ten opzichte van andere energiebronnen. Op basis van kostendata voor wereldwijde projecten die de komende twee jaren nog worden gerealiseerd, is de conclusie gerechtvaardigd dat de gemiddelde LCoE voor zonnestroom en windenergie de komende jaren nog zal blijven dalen.
Maar het zijn niet alleen de lagere kosten en goedkopere panelen die bijdragen aan de groei. Opvallend is de grote sympathie die zonnestroom heeft bij consumenten wanneer er een keuze moet worden gemaakt uit duurzame energieopwekking. Zo’n 70 procent van de consumenten geeft aan de grootste voorkeur te hebben voor zonne-energie op daken wanneer wordt gevraagd welke technieken op grotere schaal moeten worden toegepast in Nederland. Windenergie staat op nummer twee gevolgd door zonne-energie op velden en windenergie op land.
Niettemin kijkt de consument wel degelijk naar de eigen portemonnee. De investering in zonne-energie moet zich binnen maximaal vijf jaar hebben terugverdiend, vinden zij. Slechts 14 procent vindt een terugverdientijd van acht jaar of langer acceptabel. Dit is in die zin een opmerkelijke constatering omdat de overheid in haar regelingen uitgaat van een terugverdientijd van zeven jaar. Voor een aanzienlijk deel van de consumenten is die periode dus te lang om daadwerkelijk tot een investering in zonnepalen over te gaan.

VV02 05 iStock-878622758Als het gaat om duurzame energieopwekking is zonnestroom bij consumenten veruit het populairst.

Overbelasting elektriciteitsnet

Of de groei de komende jaren net zo onstuimig zal zijn als vorig jaar valt nog te bezien. Het Nederlandse stroomnet kraakt onder de aanwakkerende zonnekoorts. Het enthousiasme bij burgers en ondernemers om zonnepanelen te plaatsen is op sommige plaatsen zo groot dat het stroomnet al die extra elektriciteit niet aan kan. Er is inmiddels sprake van filevorming om op het stroomnet te mogen. In delen van Groningen, Drenthe en Overijssel moeten netbeheerders Enexis en Tennet ‘nee’ verkopen aan initiatiefnemers van nieuwe projecten. Dat raakt investeerders die zonneparken willen aanleggen op land van boeren, maar ook de besturen van verenigingen van wie de groene droom van duurzame energie uiteenspat. Uitbreiding van de netcapaciteit, om ruimte te maken voor zonnestroom, zal in verband met procedures rond vergunningen en bestemmingsplannen jaren duren en miljarden euro’s kosten.
De sterke toename was niet voorzien. Tennet heeft in 2017 een kwaliteits- en capaciteitsplan opgesteld waarin prognoses stonden over de benodigde capaciteit en de knelpunten die moeten worden opgelost. De netbeheerders stellen nu vast dat de ontwikkeling van zonne-energie zo hard gaat dat zij die prognoses overstijgen.

Het is overigens niet alleen de populariteit van de pv-panelen en de daarmee samenhangende teruglevering aan het net die voor deze problemen zorgen, legt netwerkbedrijf Alliander uit. Ook de ongebreidelde groei van datacenters noopt netbeheerders tot het bedenken van een oplossing voor het overbelaste net. Een gemiddeld datacenter vraagt al gauw een vermogen dat te vergelijken is met een stad met zo’n 60.000 inwoners. Sinds kort vestigen ook hyperscale datacenters zich in Nederland, deze vragen nog veel grotere vermogens, soms meer dan 100 MW.
En dan zijn er natuurlijk het toenemende aantal grootschalige zonnedaken en zonneparken. Er wordt rekening mee gehouden dat in Friesland tot 2050 zo’n 6.100 MWp aan zonne-installaties in de netten zal moeten worden ingepast. Ter vergelijking: eind 2018 was er in die provincie circa 300 MW opgesteld vermogen. Het aanbod van zonnestroom zal de komende 30 jaar dus met een factor twintig groeien. De termijnen die nodig zijn voor het verzwaren van de elektriciteitsnetwerken, spelen de netbeheerders volgens Alliander bij de snelle opmars van zonne-energie parten. Zo kost het leggen van een middenspanningskabel ongeveer een jaar, het uitbreiden van een onderstation drie tot vijf jaar en de realisatie van een nieuwe onderstation vijf tot acht jaar.

Veelbelovende toekomst door Klimaatakkoord
In het concept Klimaatakkoord dat eind december is gepresenteerd, is het doel vastgelegd om in 2030 een reductie van de CO2-uitstoot te realiseren van 49 procent ten opzichte van 1990. Wat de bijdrage van zonnestroom aan deze doelstelling zal zijn is nog onduidelijk, maar verwacht wordt dat zonnestroom een belangrijke rol zal spelen in dit programma, wat kansen biedt voor de sector.
Er wordt ingezet op een CO2-vrij elektriciteitssysteem in 2050, waarbij richting 2030 vooral gewerkt wordt met wind op land en zonnestroom. In het basispakket voor 2030 wordt gemikt op 84 TWh hernieuwbare elektriciteitsopwekking, waarvan 35 TWh van hernieuwbare elektriciteitsproductie op land komt (alleen projecten groter dan 15 kWp). Er wordt trouwens geen specifiek doel voor zonnestroom gesteld. Met behulp van de Regionale Energiestrategieën bepalen de regio’s hoe de doelstelling van 35 TWh te realiseren.
In het ontwerp Klimaatakkoord werd tevens de nieuwe regeling ter vervanging van de salderingsregeling gepresenteerd. De regeling zal de vorm van een terugleversubsidie aannemen die 1 januari 2021 van start zal gaan waarbij het vertrekpunt is dat er na 2030 geen subsidie meer nodig is voor zonnepanelen bij consumenten. Dit betekent dat deze subsidie richting 2030 helemaal zal verdwijnen. Uitgangspunten van de nieuwe regeling zijn dat een gemiddelde terugverdientijd van zeven jaar wordt gehanteerd, dat burgers en bedrijven die al hebben geïnvesteerd een soepele overgang wordt gegarandeerd en dat zelfconsumptie achter de meter niet onderhevig is aan energiebelasting, btw of Opslag Duurzame Energie voor kleinverbruikers. Ook zal er een alternatieve regeling voor energie coöperaties komen. Daarnaast zullen zonnepaneeleigenaren een compensatie ontvangen voor elke kWh die aan het net wordt geleverd. Hiervoor zal jaarlijks op voorhand een subsidieplafond ingesteld worden. Het jaarlijks plafond wordt geschat op 240 miljoen euro tussen 2030-2035. Het subsidietarief per kWh zal jaarlijks afnemen en zal vijf tot tien jaar van te voren worden vastgesteld. Het tarief zal gelijk zijn voor elke eigenaar van pv-panelen, ongeacht wanneer het systeem is geïnstalleerd. Naast de terugleversubsidie zijn energieleveranciers verplicht om een redelijke ‘terugleverprijs’ per kWh te betalen aan zonnepaneeleigenaren. Deze verandering in regelgeving zorgt ervoor dat zelfconsumptie financieel voordeliger is dan levering aan het net. Dit verschil neemt toe naarmate de subsidie afneemt, waardoor energieopslag financieel aantrekkelijker zal worden in de (nabije) toekomst. De nieuwe subsidieregeling zal naar verwachting worden voorgelegd aan een openbare raadpleging in februari 2019.

SDE+ wordt SDE++
De belangrijkste verandering in de sde+, die vanaf 2020 in werking zal treden en de sde++ zal gaan heten, is dat de focus verschuift van hernieuwbare energieproductie naar broeikasgasemissiereductie. De minister wil dat meer technieken in aanmerking zullen komen voor de sde++. Nog niet is bepaald welke technieken dat zullen zijn.
Er komt geen op voorhand vastgesteld budget per techniek of sector. Per techniek zal worden gekeken naar de te subsidiëren ‘onrendabele top’ per vermeden ton CO2, oftewel het verschil in de kostprijs van de techniek en de marktwaarde van de vermeden ton CO2. Deze veranderingen kunnen de concurrentiepositie van zonnestroom projecten binnen de sde+ verzwakken. De verdere uitwerking van de verbrede sde+ vindt plaats gedurende 2019.

VV02 05 iStock-500845730De ontwikkeling van zonne-energie gaat zo hard dat het elektriciteitsnet onder druk komt te staan.

Tussenoplossingen

Daarom pleit Alliander voor tussenoplossingen. Zo’n tussenoplossing is het inrichten van een flexibiliteitsmarkt. In de flexibiliteitsmarkt worden vraag en aanbod van elektriciteit op elkaar afgestemd, waardoor overbelasting van het net op piekmomenten wordt voorkomen. Dat gebeurt al in Nijmegen-Noord. In deze stad is deze flexibiliteit afkomstig van supermarktketen Lidl en het Van der Valk concern. Van der Valk biedt met een warmtepomp in haar hotel en Lidl met haar koelvrieshuis en batterij bij het distributiecentrum flexibiliteit aan. Scholt Energy Control coördineert dit proces. Hiervoor ontvangen zowel Scholt als Lidl en Van der Valk een vergoeding van netbeheerder Liander.
Een andere oplossing is cable pooling, waarbij gebruiker en opwekker gebruiken maken van één kabel. Hierbij zorgt het netwerkbedrijf voor een hogere benuttingsgraad en kunnen netinvesteringen worden voorkomen. Daarnaast bekijkt Liander, de netbeheerder binnen het netwerkbedrijf Alliander, of bij aansluitingen van zonneweides de redundantie in bepaalde gevallen kan worden losgelaten, waardoor minder extra kabels nodig zijn. Hierover wordt inmiddels al overlegd gevoerd met het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Netbeheerders mogen namelijk geen kabels in de grond leggen als ze niet zeker weten dat die kabels ook worden gebruikt. Anders dan met windparken is er voor zonneweiden en datacenters geen centrale coördinatie, planning of spreidingsbeleid. Als het netbedrijf in een vroeg stadium weet waar een datacenter of zonnepark komt, kan daar rekening mee worden gehouden.
Het zijn dit type oplossingen die enerzijds de leveringszekerheid van stroom moeten waarborgen zonder kostbare investeringen te hoeven plegen en anderzijds de noodzakelijk flexibiliteit waarborgen waarmee de zonne-energiesector in het huidige tempo kan blijven groeien.

Tekst Mari van Lieshout
Fotografie: Industrie