VV05 Omslag 600
Februari 2026

Nieuw Solar label onderbouwt ­ecologische waarden zonnepark

Zonne-energie

24 01

Na enige aanloop en vier jaar onderzoek door TNO en WUR heeft het ‘Greenlabel Institute’ in september 2025 het ‘EcoCertified Solar Parks Label’ voor ecologisch verantwoorde zonneparken ingesteld. Met dit label hebben ontwikkelaars, overheden en adviseurs een wetenschappelijk getoetst kader in handen waarmee ze kunnen aantonen dat de bodemgezondheid behouden blijft, de lokale flora en fauna wordt versterkt en realisatie van een zonnepark wordt versneld.

Hoewel de groei door de komende afschaffing van de salderingsregeling de laatste tijd is afgevlakt, neemt zowel het aantal als de grootte van grondgebonden pv-parken nog steeds toe. In 2023 bedroegen grootschalige zonneparken gemiddeld 20 hectare, tegenwoordig zijn parken van 100 hectare of meer geen uitzondering meer. Door hoge grondprijzen plaatsen projectontwikkelaars zonnepanelen vaak zo dicht mogelijk op elkaar. Die parken nemen lichtinstraling en waterinfiltratie grotendeels weg, waardoor water- en nutriëntenkringlopen verstoord raken. Dat werkt door op de soortenrijkdom van flora en fauna – van bodemleven en vegetatie tot insecten, vogels en wild.
Ecologen en natuurbeschermers maken zich daarom terecht zorgen over de aantasting van het landschap, de bodemkwaliteit en biodiversiteit. Vanuit die optiek heeft een groot aantal partijen – van Holland Solar en ontwikkelaars tot TNO en WUR – in 2021 de handen ineengeslagen voor een wetenschappelijk verantwoord label om die waarden beter te borgen.
Het label gaat uit van drie bouwstenen die zowel beleidsmakers als ontwikkelaars van zonneparken zullen aanspreken: zeven thema’s (of inhoudelijke pijlers), ruim twee dozijn indicatoren (momenteel nog alleen kwalitatief) en uiteenlopende prestatieniveaus (met een absolute ondergrens voor essentiële indicatoren, per indicator verschillend) waarin de te realiseren zonneparken zich positief kunnen onderscheiden.

Bodemtoets leidend

Alles begint bij de bodem, oorsprong van leven. Zonder een goede bodemkwaliteit onder het zonnepark is er minder basis voor vegetatie en vlinders, andere insecten en vogels. Volgens wetenschappelijke onderzoeken bij twintig zonneparken – verspreid over heel Nederland en uitgevoerd door de WUR – neemt de plantbiomassa (zowel boven- als ondergronds), de koolstofopslag en de afbraak van organisch materiaal af naarmate de beschikbaarheid van licht onder de zonnepanelen vermindert. Hoe vertaalt zich dat naar de opstelling van de pv-panelen en de bodembelichtingstoets, die in 2021 door TNO en WUR al aan de markt ter beschikking is gesteld?

24 02Overzicht van de thema’s met de bijbehorende indicatoren. De kleur van de indicatoren reflecteert de weging.

Om voor het eco-label in aanmerking te komen, is een bodembelichting van minstens 10 procent voor het zonnepark een voorwaarde. Daarnaast moet er zowel tussen als onder de zonnepanelen een belichting van minimaal 15 procent op minstens 60 procent van het hele terrein aanwezig zijn, en een minimale bodembelichting van 40 procent op minimaal een kwart van het terrein, conform de bodembelichtingstoets. Uit onderzoeken blijkt dat bij grasland met minder dan 40 procent belichting gedurende het groeiseizoen, er een afname voorkomt van het gehalte bodemorganische stof. Met andere woorden: er wordt meer organische stof afgebroken dan dat er door fotosynthese bij komt. Inzaaien van schaduwminnende planten onder de zonnepanelen kan de bodemkwaliteit enigszins opkrikken, stelt ‘The Greenlabel Institute’ in haar onderbouwing.
Tegelijkertijd laten de studies zien dat die ondergrens qua belichting nu onvoldoende is om de bodemkwaliteit op hetzelfde peil te houden. Springstaarten en mijten onder de zonnepanelen nemen met 70 procent af, aaltjes en regenwormen met 60 tot meer dan 70 procent (vergeleken met open grasland). De bodem reageert dus sterk op schaduwrijke en veranderde omstandigheden onder zonnepanelen. Die resultaten bevestigen dat niet alleen de vegetatie, maar ook het bodemleven afhankelijk is van voldoende lichtinval. Volgens de WUR-eindrapportage onderstreept dit het belang van zorgvuldig ontwerp waarin de lichtverdeling expliciet wordt meegenomen.
Koolstofopslag in de bodem is volgens het eco-label wereldwijd de belangrijkste indicator voor bodemkwaliteit: het zegt veel over waterretentie, erosiebestendigheid, biodiversiteit en de nutriëntenkringloop. Uit onderzoek op zonnepark Droevendaal op de WUR-campus kwam naar voren dat men tot 40 procent lichtinval nodig heeft voor behoud van hetzelfde volume aan koolstof, geëxtrapoleerd naar gemiddeld 30 jaar dat een zonnepark operationeel is. Omdat zulke waarden bij de huidige zonneparken economisch (nog) niet kunnen worden behaald, heeft het ‘Eco Solar Parks Label’ een overgangsperiode van 5 jaar ingesteld. Vanaf 2027 worden de belichtingswaarden stapsgewijs verhoogd totdat zonneparken met een eco-label de drempelwaarde van minimaal 40 procent bodembelichting in 2030 hebben bereikt.

24 03Klein wild, zoals hazen en konijnen, hebben via kleine openingen vrijelijk toegang tot een zonnepark.

Vegetatiebeheer

Naast de bodemtoets is langjarig ecologisch vegetatiebeheer belangrijk om aan de voorwaarden van het ‘EcoCertified Solar Parks Label’ te voldoen. Volgens de samenstellers kan daarmee niet vroeg genoeg worden begonnen. Aanzienlijke kosten – in verhouding tot de totale exploitatiekosten – brengt zo’n beheerplan niet met zich mee. De aanleg van een of meer natuurelementen, zoals hagen, houtwallen, struweel, poelen of ruige bermen, zorgt ervoor dat bijen, vlinders en andere insecten meer kans krijgen om zich in het zonnepark te ontwikkelen. Tevens bieden ze schuilplaatsen en nestgelegenheid voor reptielen, amfibieën, vogels en wild, zoals hazen, konijnen of reeën. Ruime tussenstroken tussen zonnepanelen bevorderen niet alleen de lichtinval, maar tevens de groei en bloei van de vegetatie.
Opvallend voor leken is dat permanente begrazing of het laten liggen van maaisel niet bijdraagt aan de biodiversiteit: dominante grassen blijven staan terwijl kruiden en bloemhoofden worden weggegraasd. Beter is het maaisel te verwijderen en roulerende begrazing toe te passen, waarbij zes tot acht weken in acht wordt genomen tussen de begrazingsrondes (voor de bloei en zaadzetting). Periodiek zullen beheerders moeten nalopen wat het effect van de maatregelen en de beheerdoelen is om die, waar nodig, bij te stellen. Al die maatregelen leveren meerdere punten op.

De vegetatie en het bodemleven zijn afhankelijk van voldoende lichtinval

Opstelling en inrichting

Om differentiatie tussen de verschillende zonneparken aan te brengen, heeft het eco-label 25 indicatoren ingesteld. Ze variëren van bodembelichting en grondbalans (voor gezonde bodems) tot vegetatiebeheer en monitoring biodiversiteit of van faunavoorzieningen en natuurlijke elementen (herstel van biodiversiteit) tot inpassing in het landschap en inrichting van het zonnepark. Elke indicator levert een halve, een of zelfs twee punten op. Vanzelfsprekend worden de bodembelichting, natuurlijke elementen en de inrichting binnen de thema’s zwaar gewogen.
Dat laatste is niet zo vreemd: het al dan niet rendabel exploiteren van een zonnepark hangt voor een groot deel af van de opstelling van de zonnepanelen en hoe het park is ingericht. Dat kan op gespannen voet staan met de ecologische waarden die voor het zonnepark worden nagestreefd. TNO heeft daar de laatste jaren veel onderzoek naar gedaan. De hoogte, opstelling en oriëntatie van de zonnepanelen hebben invloed op zowel de opbrengsten als de mate waarin de ecologische waarden het beste kunnen worden geborgd. Ook de afstand tussen de panelen spreekt een goed woordje mee, zeker in relatie tot lichtinval, obstakels tussen de gangen en het wegwerken van kabels (plus waar de laadpalen voor elektrische voertuigen staan).

24 04Flora en fauna onder het zonnepark kan met een langjarig vegetatiebeheerplan worden versterkt.

De eindrapportage maakt onderscheid tussen zes opstellingen: tweezijdig (oost-west), eenzijdig (zuid) met dwarsbalken, eenzijdig zonder dwarsbalken (ook zuidoriëntatie), verticaal, zonvolgend en vlinderopstellingen. De eerste twee opstellingen zijn, vanuit beheeroogpunt, het minst aantrekkelijk: slecht bereikbaar en arbeidsintensief (tot niet haalbaar). Bij zuidelijke opstellingen zonder dwarsbalken is die ruimte wel goed bereikbaar, zolang de panelen op het laagste punt hoger dan 80 cm staan. Met verticale, bifaciale zonnepanelen heeft EcoCertified geen ervaring opgedaan, noch met zonvolgende pv-systemen en vlinderopstellingen zonder dwarsbalken.
Een andere vraag waaraan EcoCertified ruimschoots aandacht besteedt, is hoe de ecologische richtlijnen – lichtinval, natuurlijke elementen en vegetatie – zich tot de ontwerpen van al bestaande zonneparken verhouden. Voor voldoende licht en de hoeveelheid koolstofopslag (bodemkwaliteit) spelen twee parameters een grote rol: de GCR (ground coverage ratio) en tafelgrootte. Schakel je over van portrait (3P) naar het kleinere landscape (4L), dan stijgen de opwekkosten van zonnestroom fors. Logisch, want er is de helft meer aan tafels nodig in een 4L-opstelling, vergeleken met een 3P-opstelling. Volgens de onderzoekers is het dus beter om, bij een gelijkblijvende hoge GCR, de spleten tussen de tafels te vergroten dan om voor een andere tafelgrootte te kiezen. Bij een verdubbeling van het percentage natuurlijke elementen, leidend tot 24 procent natuur op het zonnepark, nemen de kosten van zonnestroom met 0,2 cent/kWh toe. Roulerende begrazing is iets goedkoper dan jaarlijks twee keer maaien.

Momentopname

Hoewel er ruim vier jaar door verschillende partijen aan is gewerkt, blijft het ‘EcoCertified Solar Parks Label’ een momentopname. Aan de hand van nieuwe of vernieuwde inzichten zullen de indicatoren jaarlijks – of om het jaar – worden aangepast. Een klankbordgroep, bestaand uit vertegenwoordigers van WUR, TNO en Holland Solar, zal naar verwachting toezien op die aanpassingen. Voor zonneparken die momenteel niet aan de eisen kunnen voldoen, biedt het EcoCertified-label de kans om ecologische waarden – zoals natuurlijke elementen of vegetatiebeheer – op te krikken en die voor betrokkenen inzichtelijk te maken. De partijen hopen op een SDE-regeling die zon op land mogelijk maakt als deze natuurinclusief wordt gerealiseerd. Meerkosten – of een deel ervan – kunnen dan vanuit die subsidie worden betaald. <<

Bronnen
- Krijgsveld K.L., Aartsma Y., Aken B.B. van, et. al., ‘EcoCertified Solar Parks, openbare eindrapportage’, WUR, Wageningen, 2025. https://bit.ly/VV-zoninlandschap.
- Kamerling S., Berghorst A., Wal P. van der, ‘EcoCertified Solar Parks label, onderbouwingsdocument versie 2.0’, The Greenlabel Institute, Megchelen, 2025. https://bit.ly/VV-onderbouwingsdocument-ESP
- Scholten L. Goede R.G.M. de, Edlinger A., et. al, ‘Sharing the light, impact of solar parks on plant productivity, soil microbes and soil organic matter’, Plants, People, Planet’, New Phytologist Foundation, Lancaster (UK), 2025. https://bit.ly/VV-plants-people-planet

Tekst: Tseard Zoethout
Fotografie: iStock/Espen Beck/michaklootwijk, Timea Kocsis