VV06 Omslag 600
Januari 2021

‘Bouw en installatietechniek zijn in de toekomst niet meer los te zien’

Interview met Peter van Leeuwen, directeur BAM Bouw en Techniek

10 01

De gebouwschil en de installaties bepalen samen of een gebouw het beste presteert als het gaat om duurzaamheid, comfort en gezondheid. Integraal bekeken, ziet ‘het beste’ er vaak anders uit dan de optelsom van het beste uit elke discipline apart. Dat merkt bam in de praktijk, nu het projecten alleen nog integraal aanpakt. ‘Samen kom je vaak tot andere oplossingen, bedacht vanuit het algemeen belang. Je ontzorgt de klant en bespaart tijd en frustraties. Door over de grenzen heen te kijken, verdwijnen die vanzelf’, zegt directeur Peter van Leeuwen van bam Bouw en Techniek.

Van Leeuwen komt uit de bouwwereld. Hij is civiel ingenieur en werkte de afgelopen 30 jaar vooral aan utilitaire projecten bij bouwaannemers. Hij herinnert zich oeverloze discussies tussen de twee disciplines, veel spanningen en frustraties. ‘Er werd erg veel tijd en energie gestoken in het afstemmen van de bouwkunde en de installatietechniek, vergadering op vergadering. Elke discipline zat daar met eigen belangen en had eigen deelresultaten als doel. Het kwam vaak voor dat de oplossingen van de verschillende disciplines elkaar uiteindelijk tegenwerkten en het eindresultaat voor de opdrachtgever niet optimaal was. Zie dan maar de verantwoordelijke aan te wijzen of ingrepen terug te draaien. Resultaat: weinig efficiëntie, veel faalkosten en klanten die je opzadelt met problemen in plaats van ze te ontzorgen,’ vertelt hij. bam zag geen toekomst in die aanpak en voegde in 2015 de twee disciplines samen. bam Bouw en Techniek vliegt projecten nog maar zelden apart aan. ‘We doen het samen, of liever niet,’ zegt Van Leeuwen beslist.

Eilandjesaanpak past niet in deze tijd

bam is niet de enige. Ook grote bedrijven als Heijmans en Strukton Worksphere voegden de twee onderdelen samen. In de wereld van vandaag kunnen ze zich een eilandjes-aanpak niet meer permitteren. Vooral omdat de opgaven complexer worden. Gebouwen moeten duurzaam en slim zijn, circulair en gezond, comfortabel en onderhoudsarm. De installatietechniek maakt een steeds groter onderdeel uit van projecten. Het is niet meer het sluitstuk, maar is goed voor gemiddeld 50 procent van de aanneemsom. ‘De noodzaak van samenwerking en integraliteit neemt met de dag toe. De bouwschil en de installaties samen bepalen of een gebouw wel of niet energieneutraal wordt, wel of niet aan de circulaire wensen gaat voldoen. Die moeten dus goed op elkaar zijn afgestemd. Zo ontzorg je je klanten. Door de twee disciplines als één pakket aan te bieden, hoeft de klant zich geen zorgen te maken dat het één straks niet past bij het ander. Het eindresultaat is van alle kanten afgestemd. Je ziet dus een groeiende, natuurlijke drang om dichter naar elkaar toe te kruipen.’

BIM als bindmiddel

bim is daarbij een goed bindmiddel gebleken, volgens Van Leeuwen. Vooral intern. ‘De ontwerpfase is het ideale moment om de twee disciplines op elkaar af te stemmen. Met goede, eenduidige informatie in een 3D bim-model breng je de afhankelijkheden, de raakvlakken en de mogelijk botsingen in kaart. En je kunt de processen stroomlijnen in tijd. Heeft de bouwkundige bim-modelleur de sparing nog niet exact in beeld als de W-engineer zijn ventilatiekanalen wil ontwerpen, dan zoek je samen een oplossing zodat je allebei door kunt zonder de ander op een later tijdstip in de problemen te brengen.’ De praktijk is weerbarstiger als het gaat om bim’en in de volle breedte: van de adviseur en de architect tot de E en de W. Daar heerst nog min of meer een eilandjescultuur, merkt Van Leeuwen. ‘Elke partij maakt een prachtig, eigen model en gooit die op de grote bim-hoop. Dan komt het nog steeds voor dat dingen dwars door elkaar heen lopen. Niet elk project is vanaf het begin vanuit samenhang bedacht en ontworpen. Als wij aan de beurt zijn, als integrale aannemer, lopen we daar keihard tegenaan. Er wordt zelfs nog in verschillende programma’s getekend.’

Zonder regie is BIM slechts een modekreet

Er is dus nog best wat werk te verzetten om tot een optimaal bim-niveau te komen, vanuit intensievere samenwerking in de hele keten. bam geeft daar zelf een voorzet voor. ‘Op het moment dat wij aanschuiven, soms helemaal aan het begin, soms pas na de aanbesteding als er al een definitief ontwerp ligt, stellen wij altijd voor om een bim-plan te schrijven. Daarin zeggen we: wij willen graag zo met bim omgaan, met die en die systematiek, volgens dit takenplan, deze werkwijze en deze manier van keuren en herkeuren.’ ‘We beschrijven dus voor alle partijen het hele bim-proces. Dat geeft nog wel eens discussie, maar het gaat steeds beter. Wij vinden dat bim’en zonder regie geen garantie geeft dat de klant het gewenste eindresultaat krijgt. Zonder het te coördineren, is bim’en niets meer dan een populaire modekreet. En daar heeft een klant uiteindelijk niets aan.’ Alleen met goede regie en eenduidige systematiek leidt bim tot betere eindproducten, betere dienstverlening, lagere kosten en grotere klanttevredenheid, vindt de directeur.

‘Samen kom je vaak tot -andere oplossingen, -bedacht vanuit het algemeen belang’

Van BIM naar digital twin

Het virtuele gebouwmodel fungeert als een kennis- en informatiebron tijdens de hele levensduur van een gebouw. Vooral na de realisatiefase is daar nog veel meer uit te halen dan dat nu gebeurt. De één noemt het een digital twin, de ander het ultieme bim-model. Een digitale replica van het gebouw – niet alleen van de eigenschappen, materialen en installaties, maar ook van de actuele prestaties en processen – biedt mogelijkheden om het fysieke gebouw te ‘verrijken’ in de gebruiksfase. Het is te gebruiken om er voorspellend onderhoud mee te plannen, installaties automatisch bij te stellen en om het energiegebruik te sturen. Van Leeuwen: ‘Vooral bij contracten waar we in staan voor de prestaties en het onderhoud, is een digitale kopie van het gebouw een behulpzaam element. We gebruiken de informatie in de replica om de prestaties van het werkelijke gebouw te monitoren en daar onze dienstverlening op te baseren, zowel bouwkundig als installatietechnisch.’

Begrip voor cultuurverschillen

Van Leeuwen noemt bim één van de drie bindende elementen in het cement dat de twee disciplines intern bij elkaar houdt. De andere twee zijn planning en regie, geeft hij aan. Bouw en installatietechniek zijn van nature twee verschillende werelden, die vaak argwanend naar elkaar kijken. De interne integratie kostte dan ook tijd en energie. ‘Cultuurverschillen zijn er absoluut. De twee disciplines denken en werken nu eenmaal anders. De installatiedeskundige is gefocust op de inhoud, die zoekt heel erg naar hoe het in elkaar zit. De bouwkundige is meer procesmatig bezig. Denkt meer in tijd en in processen. Het één is niet beter dan het andere. Maar je moet het weten van elkaar en dat zien te respecteren. En van daaruit tot oplossingen komen. We hebben een integraal team van bouwkundigen en installatiedeskundigen. Die sturen samen de processen aan. Op sommige projecten is de bouwkundige kant leidend, steeds vaker is het ook de installatietechniek. Maar ze moeten beide kanten kunnen aansturen vanuit begrip en respect.’

Grenzen verdwijnen

De processen van installatie – ontwerp, engineering, inkoop, uitvoering – zijn in principe hetzelfde als bij de bouw, maar toch lopen ze anders, merkt Van Leeuwen. ‘De bouw koopt bijvoorbeeld op andere momenten in dan de installateurs. De bouwkundige kant gaat eerder over tot inkoop en werkt het ontwerp later verder uit. De installatiekant wacht wat langer met kopen, gaat eerst engineeren op detailniveau. In de integrale planning komen die faseverschillen aan het licht en lossen we die vanuit wederzijds begrip op. Door over elkaars grenzen heen te kijken, verdwijnen die grenzen op een gegeven moment vanzelf.’

10 02

Geen verrassingen meer

Voorheen kon je met installaties nog het een en ander aanpassen als de bouwschil toch niet helemaal het gewenste effect had. Een beetje meer warmte of kou en het was opgelost. Maar nu ook de installaties steeds scherper zijn ontworpen en gedimensioneerd, wordt dat lastiger. Ook dat is volgens Van Leeuwen een reden om projecten integraal aan te vliegen. ‘Omdat wij samen aan het roer staan, komen we aan het eind van de rit nooit voor voldongen feiten te staan. Een gevel die toch niet zo luchtdicht is als gedacht was en een installatie die niet voldoende capaciteit heeft om daar tegenaan te verwarmen. Tijdens het hele proces is elke beslissing gebaseerd op het beste eindresultaat vanuit samenhang. Dat wegen we steeds opnieuw af. Ga je voor een 5 procent efficiëntere installatie die 25 procent duurder is of laat je het de gevel oplossen? Je draait makkelijker aan de knoppen in het ontwerp en komt bij de realisatie nooit voor verrassingen te staan.’

Hokken of ad hoc

bam gaf gehoor aan de roep om ontzorging door de twee disciplines intern samen te smelten. Dat betekent niet dat het bedrijf alles nu alleen doet. ‘Natuurlijk hebben we ook anderen nodig. We werken nog steeds samen met andere installatiebedrijven. Bedrijven die bepaalde specialismen in huis hebben of beter geëquipeerd zijn voor bepaalde contracten. Bij projecten voor ziekenhuizen zoeken we bijvoorbeeld vaak samenwerking. Het gaat ons altijd om de beste oplossing voor de klant. Niet om wie de lead heeft of belangrijker is.’ Hij merkt ook in die externe samenwerking dat het Calimero-complex waarmee de installatiebranche lang heeft gekampt, aan het verdwijnen is. ‘Het belang van de installatietechniek neemt toe, is in veel projecten zelfs leidend. De gelijkwaardigheid en het wederzijdse respect is toegenomen, en echt niet alleen uit noodzaak of eigenbelang.’

‘Mijn oproep is meer -modulair en demontabel te gaan denken en bouwen’

Eén verlies- en winstrekening

Niet elk bedrijf kiest ervoor – of kán ervoor kiezen – om de twee disciplines onder één dak te bundelen of de andere discipline op te kopen. Maar ook die bouwers en installateurs zoeken elkaar steeds vaker op in samenwerkingsverbanden. Ad hoc of op structurele basis. Vaak blijven ze bewust zelfstandig. Toch vindt Van Leeuwen dat integraliteit binnen één bedrijf de meeste voordelen biedt. ‘In mijn optiek krijgt de klant het beste resultaat als je één winst- en verliesrekening hebt. Als je gezamenlijk verantwoordelijk bent voor het budget. Dat leidt tot ander gedrag en betere efficiency. De samenwerking is in ons geval niet afhankelijk van personen op specifieke projecten, waarbij het soms wel en soms niet lukt, maar is verweven in de hele organisatie en gestoeld op het bedrijfsbelang. We zitten dicht bij elkaar, weten precies hoe de ander denkt en we zorgen ervoor dat de ander niet in de problemen komt tijdens het proces. Dat scheelt veel vergadertijd en er zijn minder herontwerpen nodig om tot het gewenste resultaat te komen.’ Het werkt tevens door in de kosten voor de opdrachtgever. Integraal gekozen oplossingen leveren vaak tijdwinst bij de realisatie en kostenreductie in de gebruikersfase.

Integrale aanpak leidt tot andere oplossingen

Het zijn vaak ook andere oplossingen. Van Leeuwen: ‘Je bent samen constant spanningen aan het wegnemen. Soms is dat iets technisch: passen de installaties wel boven het plafond? Soms is het een tijdkwestie: hoe kunnen we sneller opleveren? Je komt dan vaker tot oplossingen als prefab-schachten waarin de leidingen al in de constructie zijn verwerkt. Dé fysieke uitwerking van integrale bouw- en installatietechniek. Of modulaire distributiebanen bijvoorbeeld, een compleet product van kabelgoten, geïsoleerde leidingen voor verwarming en koeling en aftakkingen met naregeling voor het klimaat. Daarmee versnel je de montagetijd op de bouw en je krijgt een product dat keurig in een fabriek is opgebouwd, gekeurd op kwaliteit. De klant krijgt een beter product tegen een lagere prijs.’

Uniekheid en standaardisering

Prefab en modulaire elementen zijn in de utiliteit nog geen gemeengoed, terwijl dat in de seriematige woningbouw al wel zo is. Volgens Van Leeuwen vormt het gebouwontwerp daarbij het obstakel. De modulaire benadering legt ontwerpers beperkingen op waar ze vaak niet van willen weten. ‘Een ontwerper ontwerpt graag een uniek gebouw, elke keer net iets anders. Seriematig denken is daar ‘not done’. Uniekheid botst in de praktijk met gestandaardiseerde concepten. Maar willen we duurzaamheid en circulariteit ten volste benutten, dan moet daar toch een knop om. Mijn oproep is dan ook om meer modulair en demontabel te gaan denken en bouwen. Het is kostenefficiënt voor de opdrachtgever, duurzaam én circulair.’

Tekst: Astrid Zoumpoulis-Verbraeken, freelance journaliste.
Fotografie: Arno Massee