Mei 2026
Bredere blik op biobased bouwen
Duurzaam
Halverwege deze eeuw dient de nieuwbouw vrijwel volledig uit biobased materialen te bestaan, zo luidt de ambitie van de rijksoverheid. Om dat doel te bereiken, is het wel noodzakelijk dat de hele bouwkolom, van ingenieursbureaus tot installateurs, anders gaat kijken naar hoe een gebouw nu precies in elkaar steekt.
Biobased bouwen wordt wel als een van de belangrijkste oplossingen gezien om de CO2-uitstoot in de gebouwde omgeving te verminderen. Want ga maar na: ruim 15 procent van alle CO2-uitstoot in ons land vindt volgens CBS-cijfers in de gebouwde omgeving plaats; van het maken van constructies (steen en beton) tot het verwarmen van woningen door middel van fossiele brandstoffen (met name aardgas). En volgens sommigen ligt dat percentage eigenlijk nog een stuk hoger. Zo zegt pionier op het gebied van duurzaam bouwen Jan Willem van de Groep: ‘De emissies die nodig zijn om die processen überhaupt mogelijk te maken, blijven buiten beeld. De CO2 die vrijkomt bij het bouwen van fabrieken, de productie van vrachtwagens en kranen én bij de aanleg van wegen, telt nu niet mee.’ Tot begin deze eeuw, toen Nederland nog over voldoende aardgas beschikte, zette de bouwsector in op meer installatietechniek om steeds energiezuiniger woningen neer te zetten, die tevens van meer materialen werden voorzien, allemaal met als doel om een zo prettig mogelijk binnenklimaat te realiseren. Geleidelijk aan begint die visie te veranderen.
Andere eigenschappen
Door voor een andere bouwconstructie te kiezen – houtbouw of houtskeletbouw – hoef je klimaatinstallaties minder robuust uit te voeren. Dat hangt samen met andere eigenschappen van de gebruikte materialen. Biobased materialen zijn van nature gezond en losmaakbaar.
Biobased materialen reageren sneller en sterker op weer- en temperatuurverschillen: tijdens hete dagen nemen ze warmte op en staan die weer af als het ’s nachts kouder wordt.
Dat is niet alleen gunstig voor de bewoners, maar ook voor het werk op de bouwplaats. Er komen geen giftige stoffen vrij en werklieden hoeven geen beschermende kleding te dragen. Verder zijn biobased bouwmaterialen lichter in gewicht, waardoor aannemers vaak met elektrisch materieel toe kunnen en geen dieselmotoren (met navenante stikstof-uitstoot) hoeven in te zetten. Tenslotte, en dat is het belangrijkste verschil naast de sterk vermeden CO2-uitstoot, zijn biobased bouwmaterialen warmte- en vochtregulerend en bewegen ze mee met de weer- en temperatuurverschillen.
Loe Daems werkt sinds acht jaar bij Nieman Raadgevende Ingenieurs. Als senior projectmanager en integraal adviseur voor met name grotere projecten schetst hij de opkomst en het belang van biobased bouwen. ‘Duurzaamheidseisen als de MPG en aangescherpte wetgeving op gebied van materialen hebben gezorgd voor meer bewustzijn voor het toepassen van biobased materialen’, zegt hij. ‘Daarnaast stellen steeds meer gemeenten, waaronder Amsterdam, aanvullende CO2-eisen bij de uitgave van grond, bijvoorbeeld door een deel van het gebouw in hout uit te voeren. Ontwikkelaars en investeerders gaan daarin mee. Dat gaat verder dan alleen het toepassen van biobased isolatiematerialen.’
‘Vooral opbouw vloeren en wanden en detailafwerking zijn doorslaggevend’
Ventilatie en isolatie
Volgens hem dienen ontwerpers en adviesbureaus echter wel rekening te houden met het accumulerend warmte-effect als ze het gebouw volledig uit biobased materialen willen optrekken. ‘In tegenstelling tot beton is instort bij houtbouw niet mogelijk en krijg je geen warmte uit de thermische massa’, verklaart Daems. ‘Houten gebouwen hebben minder tijd nodig om op te warmen en zullen ook sneller afkoelen dan beton. Bij teveel afkoelen krijg je die warmte via een traag afgiftesysteem als reguliere vloerverwarming amper meer terug wanneer je natuurlijke ventilatie toepast. Met ventilatorconvectoren met wtw die de lucht door een warmtewisselaar blazen en op de gewenste temperatuur brengen, valt dat op te lossen. Het vocht wordt vervolgens opgevangen en afgevoerd via de condens-afvoer.’
Een houten constructie werkt door op de warmtelast, maar functioneert ook anders door dampopen bouwen. ‘Bij dezelfde oppervlakte als een gebouw uit steen of beton neemt de warmtelast toe’, zegt hij. ‘De warmtepomp en het afgiftesysteem hebben meer vermogen nodig. Omdat biobased materialen van nature vochtgevoeliger zijn, zul je ook meer zorg moeten dragen aan zowel de isolatie als aan het ventilatiesysteem. Pas je alleen biobased isolatiematerialen als vlas of hennep toe en bestaat de constructie uit steen of beton, dan verandert er weinig.’
Duurzame herbouw van het ABN AMRO pand aan de Foppingadreef in Amsterdam-Zuidoost.
Voor installaties speelt de constructievloer en de hoogte van de ruimte een grote rol. ‘Instorten doen we al veertig jaar’, vervolgt hij. ‘Daar zijn we in Nederland bedreven in. Normaal engineeren we op een maximale hoogte van 2.600 mm. Maar anders wordt het bij hout(skelet)bouw met grotere hoogtes. Leidingen, kabels en ventilatiekanalen moeten al tijdens de ontwerpfase nauwkeurig worden vastgelegd, omdat aanpassingen later niet meer te doen zijn, zowel in esthetisch als constructief opzicht. Breng de inpandige installaties daarom voor een deel in het zicht. Dat vergroot niet alleen het bewustzijn voor biobased bouwen, maar vraagt – om versneld te kunnen vernieuwen – ook om verandering in de regelgeving.’
Levensduur en CO2-uitstoot
Verreweg het grootste voordeel van biobased materialen ten opzichte van materialen die met behulp van fossiele brandstoffen zijn geproduceerd, is dat biobased materialen CO2 juist vastleggen in plaats van uitstoten. Cement, het belangrijkste bestanddeel van beton waaruit de meeste gebouwen zijn opgetrokken, stoot tijdens het productieproces per kg bijna 1 kg CO2 uit, terwijl een groeiende boom elk jaar gemiddeld 20 tot 40 kg aan CO2 vastlegt. Industrieel geteelde hennep nog meer: tussen de acht en vijftien ton CO2 per hectare geoogste biomassa. Het is dan ook geen wonder dat ontwikkelaars, bouwers en adviesbureaus de laatste jaren aanzienlijk meer aandacht aan de constructie geven om de CO2-inhoud te verminderen.
Maar er is meer. Volgens Stewart Brand, die in 1994 het 6S-model ontwikkelde, hangen de constructie van een gebouw en de geplaatste installaties nauw met elkaar samen. Het 6S-model deelt een gebouw op in zes lagen, elk met een aflopende levensduur en aanpasbaarheid, van locatie (site) en constructie (structure) tot gevel (skin), installatie (services) en hoe de indeling van het gebouw (space) tot stand wordt gebracht, gevolgd door stuff (oftewel waarmee je de ruimtes gaat aankleden, bijvoorbeeld banken, tafels, stoelen en schilderijen). Naarmate de levensduur van een gebouw toeneemt, dalen de kosten en CO2-uitstoot van de constructie en worden de installaties zowel qua kosten als CO2-uitstoot het belangrijkst (terzijde: gevelconstructies kosten niet alleen minder dan installaties, maar stoten ook minder uit).
Het nieuwe Staring College in Borculo heeft een houten draagconstructie en is volledig energie-neutraal.
Aart-Jan Schot is goed bekend met het 6S-model. Als senior projectmanager en adviseur installatietechniek bij adviesbureau DWA, houdt hij zich daarmee al jaren bezig. Schot zoomt in op de verschillen tussen regulier en biobased bouwen. ‘Vooral de opbouw van vloeren en wanden en detailafwerking zijn bij biobased bouwen doorslaggevend’, verduidelijkt hij. ‘Ventilatie bij een houten vloer moet je vanwege werking zoveel mogelijk voorkomen. Elektra komt normaal uit het plafond, maar bij CLT (cross laminated timber) wordt dat lastig. Leidingen zal je deels in de vloer, deels in het plafond moeten wegwerken. Extra aandachtspunt is de individuele warmtepomp. Geluid en trillingen dragen in een houten bouwconstructie verder door de andere akoestiek. Plaats een warmtepomp daarom altijd op een grote stoeptegel of op beton in de technische ruimte.’
Faseverschuiving
Volgens Schot dienen ontwikkelaars, adviesbureaus en bouwers bij biobased bouwen meer aandacht aan de faseverschuiving te besteden. Hij nuanceert het thermisch effect van beton. ‘Door het toepassen van dampopen materiaal ontstaat er een aangenamer binnenklimaat in de woning, veroorzaakt door de faseverschuiving’, zo licht hij toe. ‘Biobased materialen reageren sneller en sterker op weer- en temperatuurverschillen: tijdens hete dagen nemen ze warmte op en staan die weer af als het ’s nachts kouder wordt.’ Die verschuiving is afhankelijk van de isolatiedikte, de warmteopslagcapaciteit en de dichtheid van het materiaal: bij houtvezelisolatie duurt het bijvoorbeeld acht uur voordat de warmte door de vezelplaat is gegaan, terwijl dat bij glaswol al na drie uur is bereikt.
‘Biobased gebouw heeft aan eind levensduur veel grotere restwaarde’
‘Het gaat nooit alleen om het accumulerend warmte-effect. Bij dampopen bouwen speelt de schil – van het dak en de ramen tot het glas en de zonwering – een grotere rol, zolang afdichtingen voor een betere luchtdichtheid goed worden behandeld. Dat kan ervoor zorgen dat een warmtepomp minder energie gebruikt.’
‘Moderne gebouwen’, gaat hij door, ‘hebben een grotere koudevraag. Al tijdens het ontwerp moet je daarop bedacht zijn, met name bij het glasoppervlak en de positie van de ruimte ten opzichte van de zon. Veel glas in een ruimte op het zuiden leidt ertoe dat het daar in de zomer te warm wordt. Naast zonwerende beglazing adviseren we om ook zonwering toe te passen. Soms is het puzzelen tussen daglicht, uitzicht en de grootte van de ramen. Het zwakste deel van het gebouw is de gevel, daar treden vaak de grootste thermische lekken op. Wie energie-neutraal met biobased materiaal zonder kit of purschuim wil bouwen, zal veel oog voor detail moeten hebben, vooral als het gaat om de luchtdichtheid. In twijfelgevallen laten we een rookproef uitvoeren. Om de BENG-norm te halen, moet je dat bij de oplevering ook kunnen aantonen.’
Daarnaast zijn natuurlijke materialen – veel meer dan steen of beton – onderhevig aan weersinvloeden. Schot zoomt in op enkele voorbeelden. ‘Bij biobased bouwen moet je heel goed kijken naar de isolatie’, zegt hij. ‘Vlas, hennep en wol bieden weliswaar veel comfort voor het binnenklimaat, maar je zal dan wel in ogenschouw moeten nemen dat dergelijke materialen tijdens transport of de bouw niet door vocht of door een regenbui worden aangetast’, zegt hij. ‘Dat heeft zijn weerslag op de installaties. Veel biobased leidingwerk is watergedragen. Dat kan je niet boven houten vloeren leggen. Bij hout dien je sowieso op mogelijke lekkages te letten.’
Kosten en circulariteit
Volgens Loe Daems hoeft biobased bouwen niet tot hogere bouwkosten te leiden. ‘Weliswaar zijn natuurlijke bouwmaterialen iets duurder’, zegt hij, ‘maar die kosten win je terug door minder installatietechniek, waardoor de totale kosten op ongeveer hetzelfde uitkomen. Bovendien schept het kansen voor circulariteit en meer hergebruik. Fagerhult, leverancier van verlichtingssystemen, heeft bijvoorbeeld pendelarmaturen van gerecycled karton op de markt gebracht. Dat heeft per kg 89 procent minder klimaatimpact dan aluminium. Een soortgelijke ontwikkeling zie je bij kunststoffen. Recycling van kunststoffen gebeurt vooral bij de fabrikant. Wel zal de organisatie van scheiding en hergebruik moeten worden verbeterd.’
Schot beaamt dat, maar trekt de circulariteit van bouwmaterialen en installaties breder. ‘Goed ontworpen gebouwen gaan minstens een halve eeuw mee, installaties bijna een generatie’, zegt hij. ‘Tot op heden sturen we echter vooral op budget in plaats van op duurzaamheid. Een biobased gebouw heeft aan het eind van zijn levensduur een veel grotere restwaarde, omdat de houten delen kunnen worden hergebruikt. Probleem is dat investeerders er momenteel niet van profiteren, het ‘split incentive dilemma’. Je kunt het vergelijken met het planten van een olijfboom: die heeft pas na twee decennia de volledig productieve oogst bereikt.’
De adviseur installatietechniek pleit er daarom voor om statiegeld op bouwdelen en materialen te gaan heffen. ‘Hoewel de regelgeving langzaam begint te veranderen’, besluit hij, ‘zijn we financieel nog lang niet op circulariteit ingesteld. Na demontage van een gebouw in bouwdelen en materialen zou daarvoor een financiële vergoeding kunnen worden ingesteld, oplopend na verloop van jaren en via een fonds van waaruit slopers kunnen putten, net zoals we nu met pallets, blikjes en plastic flessen doen. We moeten dan wel installaties beter losmaakbaar maken en in het zicht plaatsen om ze te kunnen demonteren. Op die manier kunnen we bepaalde componenten, bijvoorbeeld uit een warmtepomp, gedeeltelijk hergebruiken of refurbishen. Fabrikanten zijn ermee bezig, maar dat proces gaat langzaam.’
Bronnen
- Groep J. van de, ‘De bouw stoot drie keer meer CO2 uit dan we denken’, Duurzaam Gebouwd, Zwolle, 2025.
- Nieman raadgevende ingenieurs, ‘Principes bij circulair installeren’, Nieman raadgevende ingenieurs, Utrecht 2020.
- DWA, ‘Biobased bouwen: CO2-vriendelijk, circulair en assemblage bouwen met natuurlijk materiaal, DWA, Gouda, 2026.
- Bosch S., Aartsma G., et al., ‘Bouwen binnen planetaire grenzen - CO2-impact van de Nederlandse bouw’, Copper8, Amsterdam, 2024.
Tekst: Tseard Zoethout
Fotografie: Aart-Jan Schot, getty images/zzcapture/dpproductions
Meer weten over innovatieve technieken en ontwikkelingen?
Meld u dan nu aan voor onze gratis nieuwsbrief.