VV03 omslag 600
September 2025

Testen temperatuurverlaging bij drie haagse gebouwen

iStock-1202265164

In opdracht van EnergieRijk Den Haag (ERDH) voerde Haskoning een onderzoek uit naar de effecten van het verlagen van de aanvoertemperatuur van warmte bij een drietal overheidsgebouwen. Met het onderzoek willen het  Rijksvastgoedbedrijf en warmteleverancier Eneco inzicht krijgen in de impact hiervan op de prestaties van de gebouwinstallaties, het energiegebruik en het comfort van de gebruikers.

EnergieRijk Den Haag (ERDH) is een samenwerkingsverband tussen Rijksvastgoedbedrijf, Provincie Zuid-Holland, de Gemeente Den Haag en verschillende (semi-) publieke en private partners. De organisatie richt zich op de volledige verduurzaming van de belangrijkste overheidsgebouwen in het centrumgebied van Den Haag. In september 2023 is een warmteconvenant met Eneco gesloten om gezamenlijk op te trekken in het versnellen van de energietransitie. Eén van de vijf concrete speerpunten is het verlagen van de aanvoertemperatuur.

'Het hogere doel van ERDH is kennis delen over het 'wat en hoe''

Nut en noodzaak

Om in Den Haag – maar ook in andere grote steden – de warmtetransitie te laten slagen, is het noodzakelijk om meer duurzame bronnen in te zetten. Het gros van de duurzame bronnen is uitsluitend geschikt voor lagetemperatuurverwarming. Denk daarbij aan restwarmte van datacenters of industriële processen, maar ook geothermie of zonnewarmte kunnen een bijdrage leveren. Thomas Verhoeven, co-thematrekker gebouwen bij ERDH: ‘Lagetemperatuurverwarming is uitsluitend toe te passen in gebouwen die hier geschikt voor zijn. Dat betekent dat de warmtevraag niet groter is dan het vermogen dat het systeem kan leveren. Daarnaast moet hier ook het comfort worden behouden, wat veelal afhangt van beglazing en kierdichting. In veel gevallen is een verduurzamingsslag nodig waarbij onder meer een betere isolatie van de gebouwschil de warmtevraag reduceert en slimme regelingen worden geïmplementeerd om de warmte op de juiste manier te verdelen.’ ERDH hanteert bij haar aanpak de zogenaamde ‘Trias Territoria’.

'Belangrijk bij testen is om monitoringssysteem in GBS op orde te hebben'

In de eerste plaats wordt gekeken naar de mogelijkheden om de energievraag in de gebouwen te verlagen door bijvoorbeeld een betere isolatie en de inzet van slimme technologie. Als tweede stap onderzoekt ERDH lokale opwekking door onder meer het koppelen van warmtekoude bronnen en het stimuleren van de ontwikkeling van lokale geothermische bronnen. Pas als derde wordt energie ingekocht met een focus op duurzame bronnen. Voor deze aanpak is schaalgrootte op zowel technisch als economisch vlak belangrijk en hiermee een directe reden voor de gebiedsgerichte aanpak. Arjan van Zaanen, thematrekker gebouwen bij ERDH: ‘Het hogere doel van ERDH is kennis delen over het ‘wat en hoe’ door zelf een inspirerend en navolgbaar voorbeeld te zijn voor anderen. Op deze manier kunnen we de implementatie van de energietransitie opschalen.’

Testen

In het kader van pragmatisme zijn ERDH en Eneco al eerder gestart met metingen aan twee grote overheidsgebouwen – het Stadhuis en Paleis Noordeinde – om te achterhalen of deze gebouwen al ‘klaar’ waren voor lagetemperatuurverwarming (zie kader). Deze metingen hebben vooral waardevolle inzichten opgeleverd over het uitvoeren van het onderzoek en waren relatief positief over de mogelijkheden om inderdaad de overstap naar lagetemperatuurverwarming te maken. Om die reden is besloten om in de winter van ‘24/’25 opnieuw metingen te verrichten bij een drietal andere overheidsgebouwen aan de Bezuidenhoutseweg, de Muzenstraat en het Parnassusplein. De testen zijn uitgevoerd in nauwe samenwerking met alle betrokken partijen; eigenaar Rijksvastgoedbedrijf, warmteleverancier Eneco, installateurs Van Dorp en Veolia en de gebruikers van de gebouwen. In februari van dit jaar is het meettraject afgerond en in juni is het rapport verschenen. Van Zaanen: ‘De timing van de testen luistert nauw en valt het liefst gelijk met een maximaal gebruik van de installatie. Het stookseizoen is hiervoor dan ook de uitgelezen tijd. De focus ligt dan uiteraard op de koudste periode tussen 1 december en 1 maart. Ook is de aanwezigheid van gebouwgebruikers een must. Zonder hen is immers de impact van temperatuurverlaging op het comfort in het gebouw onmogelijk te meten. De drie gebouwen voldoen aan deze criteria.

Methodiek

Tijdens de test is gedurende enkele weken de secundaire aanvoertemperatuur vanuit de stadsverwarming stapsgewijs verlaagd door het (Ta-)setpoint van de warmtewisselaar van het gebouw aan te passen. Gelijktijdig zijn ruimtetemperaturen en de prestaties van gebouwinstallaties gemeten via monitoring in het GBS. De warmte van de stadsverwarming wordt via een warmtewisselaar of tegenstroomapparaat (TSA) overgedragen aan het verwarmingswater van het gebouw. Eneco regelt de aanvoertemperatuur aan de secundaire zijde (gebouwzijde) van de TSA met zijn regelkast (RVL). In het gebouw is de aanvoertemperatuur aan de secundaire zijde apart te regelen vanuit het gebouwbeheersysteem. In dit geval de Priva Blue ID met de driewegklep. Omdat de RVL van Eneco vaak hoger staat ingesteld dan de aanvoertemperatuur vanuit het gebouwbeheersysteem, is in de teststap deze eerste gelijkgetrokken met de temperatuurinstelling van het gebouwbeheersysteem. Tijdens de test zijn vervolgens beide temperaturen verlaagd om vast te kunnen stellen hoe de installaties op elkaar werken. Jorik van de Waerdt, projectleider vanuit ERDH: ‘Er is wekelijks overleg geweest met de installateur en de objectmanager over de bevindingen. Tevens zijn tijdens de testen korte lijntjes gehouden met de gebruikers van de gebouwen om hun ervaringen te horen.’

Bezuidenhoutseweg

De instellingen van de RVL (Eneco) zijn eerst gelijkgetrokken met de instellingen van het gebouw (GBS) naar 80 °C bij buitentemperaturen van -5 °C en naar 60 °C bij een buitentemperatuur van 15 °C. De stooklijn is vervolgens verlaagd naar respectievelijk 70 en 50 °C, waarbij de laatste verlaging gecombineerd werd met het verhogen van de inblaastemperatuur van 19 °C naar 20 °C, zodat de radiatoren bij een lagere temperatuur kunnen verwarmen. De gewenste comforttemperaturen werden bij deze instellingen nét behaald bij gemiddelde etmaaltemperaturen tussen 2 - 9 °C. Om klachten te voorkomen is besloten om de inblaastemperatuur te verhogen naar 24 °C. Toen de buitentemperaturen onder het vriespunt zakten, kwamen er alsnog comfortklachten en is de stooklijn weer verhoogd. Conclusie: dit gebouw is niet geschikt om zonder extra maatregelen te verwarmen met een lagere temperatuur. Van de Waerdt: ‘Dat is overigens niet alleen vanwege onvoldoende isolatie, maar ook omdat er geen online toegang tot het GBS bestaat voor de onderhoudspartij, die hierdoor niet kan monitoren en sturen.’

Muzenstraat

Na het gelijktrekken van de instellingen van Eneco en het gebouw in de Muzenstraat (aanvoertemperatuur 85 °C bij
-5 °C buitentemperatuur en 40 °C bij een buitentemperatuur van 20 °C), is de aanvoertemperatuur voor de buitentemperatuur van -5 °C stapsgewijs verlaagd naar 70 °C. De comforttemperaturen in de verschillende ruimtes en de buitentemperaturen zijn gemonitord. Toen de buitentemperatuur zakte naar waarden tussen de 5 - 10 °C, werden comforttemperaturen pas aan het eind van de dag behaald. Ook na het verhogen van de inblaastemperatuur bleven de klachten aanhouden en is de test gestopt. Ook dit gebouw is dus ongeschikt voor lage temperatuurverwarming zonder extra maatregelen. Van de Waerdt: ‘Dat betreft niet alleen de isolatie, maar ook de installatie zelf. Het afgiftesysteem is een 1-pijpssysteem, waardoor de aanvoertemperatuur sterkt zakt aan het einde van de strangen.’

Parnassusplein

In het laatste gebouw aan het Parnassusplein zijn de waarden gelijkgetrokken met een aanvoertemperatuur van 70 °C bij een buitentemperatuur van -5 °C en 25 °C bij een buitentemperatuur van 20 °C. Daarna is de aanvoertemperatuur stapsgewijs verlaagd naar 55 °C bij -5 °C. Daarbij werden comforttemperaturen in de verschillende ruimtes gemeten evenals de buitentemperatuur en de klepstand van de driewegafsluiter van de stadsverwarming. Ook hier trad het verschijnsel op dat het zakken van de buitentemperaturen leidde tot de noodzaak de inblaastemperaturen te verhogen. Vooral aan het einde van de distributie bleven koudeklachten bestaan, waarop de aanvoertemperatuur weer is verhoogd naar 60 °C en de klachten stopten. Omdat bij dit gebouw de buitentemperaturen niet bijzonder laag zijn geweest tijdens de testperiode, is het lastig een definitieve conclusie te trekken. De verwachting is dat het gebouw geschikt is voor lagetemperatuurverwarming zonder grote, extra maatregelen. Dit vraagt uiteraard om een zorgvuldige implementatie om er ook zeker van te zijn dat er echt geen comfortklachten optreden.

Den-Haag-02Schematische weergave van de koppeling tussen afgifte-installatie van Eneco en verwarmingssysteem gebouw.

Conclusies en aandachtspunten

Van Zaanen: ‘Buiten een go/no-go conclusie die uit de testen volgt, is het bij dit tweede project ook interessant om te kijken naar de algemene conclusies. Zo ziet het er vooralsnog naar uit het laatste gebouw geschikt is te maken voor lagetemperatuur door een aantal kleinere ingrepen. Voor de overige twee gebouwen zullen er grotere voorzieningen moeten worden getroffen om dit doel te bereiken. Het gaat daarbij om een hogere isolatiegraad van de bouwkundige schil, een hogere tochtdichtheid en een ander systeem voor de distributie en afgifte van warmte en koude. Ook de mogelijkheden implementeren om te monitoren – die soms ontbreken – behoren tot de grotere voorzieningen.’ 

Tevens leverden de drie onderzoeken enkele aandachtspunten op:

  • Waterzijdig inregelen van distributie en afgifte
    In veel systemen is de warmteverdeling niet voldoende. Er wordt dan veel warmte verpompt (hogere debieten, hogere retourtemperatuur) en juist met hogere aanvoertemperatuur verwarmd om het in de ruimtes op het beoogde comfort te krijgen. Waterzijdig inregelen van het systeem is daarom belangrijk om naar een lagere aanvoertemperatuur over te gaan en draagt ook bij aan energiebesparing.
  • Toepassen van centrale ontgassings- en expansievoorzieningen 
    Bij verlaging van de temperatuur in de verwarmingsleidingen ontstaan er kleine luchtbelletjes in het systeem. Deze hebben invloed op de drukregeling en warmteafgifte in het systeem. Centrale expansie- en ontgassingsvoorzieningen in het systeem zijn daarom belangrijk en bijna een voorwaarde om naar een lagere aanvoertemperatuur over te gaan. Van de Waerdt: ‘Een algemene conclusie luidt tot slot dat het voor dit soort testen belangrijk is om het monitoringsysteem in het GBS op orde te hebben. Digitalisering dus. Alleen dan is op afstand mee te kijken, maar is bovenal informatie te verzamelen die een indicatie geeft voor de prestaties van de afgelopen periode. Daarnaast is een goed monitoringsysteem per definitie noodzakelijk om slim te kunnen sturen. Dit betekent ook dat de voorbereiding voor toekomstige, en wellicht breder uitgezette testen, moet beginnen met ervoor te zorgen dat deze randvoorwaarden op orde zijn wanneer het stookseizoen begint.’ ‘Een advies voor elke gemeente die ook met deze materie aan de slag wil: Voor veel mensen die meewerken aan de test komen deze werkzaamheden bovenop hun dagelijkse werk. Motivatie en beschikbare capaciteit van deze partijen is daarom van belang voor het succesvol doorlopen van de test.’
iStock-690009222

Stadhuis Den Haag

Het stadhuis was in de winter van ‘21/’22 aan de beurt, waarbij het onderzoeksteam tegen een aantal uitdagingen aanliep. Zo was er een lage bezetting als gevolg van de coronapandemie en was er geen echte koudeperiode tijdens de test. De eerste testresultaten waren daardoor niet representatief en niet te valideren. Tegelijkertijd gaf de test wel direct inzicht in de impact van het verlagen van de aanvoertemperatuur op de netwerkzijde: de regeling werd stabieler. Aan de gebouwzijde kwamen opvallende zaken aan het licht bij de lucht- en waterzijdige installaties. Een ‘lesson learned’ uit dit eerste project is onder meer dat een nulmeting noodzakelijk is om vervolgens te monitoren wat de impact is van een maatregel. Zonder nulmeting zijn testresultaten lastig te interpreteren. Daarnaast is vastgesteld dat het belangrijk is om goede indicatoren te definiëren die iets zeggen over comfortbeleving door gebruikers. Dat gaat verder dan alleen de kamertemperatuur. Een ander aandachtspunt is het monitoren van uiteenlopende typen ruimtes. Het effect van de temperatuurverlaging op een kleine kamer op het zuiden met veel gebruikers, kan heel anders zijn dan op een grote zaal in de kelder. Variabelen als ligging, verdieping, type gebruik, lichtinval en weersomstandigheden kunnen een grote rol spelen.

iStock-1128914119

Paleis Noordeinde

In de winter van ‘22/’23 is de test ook uitgevoerd in Paleis Noordeinde. In dit monumentale gebouw moest behalve met het comfort van de bewoners ook rekening worden gehouden met de kunstcollectie die gebaat is bij een stabiele temperatuur en luchtvochtigheid. Uit de test bleek (gelukkig) dat bij een verlaging van de aanvoertemperatuur van de stadsverwarming met 5 - 10 °C, er geen afwijkingen werden geconstateerd in temperatuur of luchtvochtigheid. Verder onderzoek is nodig aangezien de warmte- en warmwatervoorziening van het paleis nog niet gescheiden uitgevoerd zijn. Hierdoor moest in de huidige situatie tijdens de test in de weekenden de aanvoertemperatuur van de stadsverwarming omhoog om legionellabesmetting tegen te gaan. De resultaten van deze testen zijn opgenomen in de (tweede) ‘Handreiking Test Temperatuurverlaging’. Gebouweigenaren kunnen hiermee vergelijkbare testen uitvoeren en zo ook in andere gemeentes samen met de lokale warmteleverancier stappen zetten om het warmtenet verder te verduurzamen.

iStock-1187848508De verwachting is dat het gebouw aan het Parnassusplein geschikt is voor lagetemperatuurverwarming zonder grote, extra maatregelen.

Tekst: ing. Marjolein de Wit - Blok
Fotografie: ERDH, iStock/Gaps/MarekUsz/Jorisvo

Meer weten over innovatieve technieken en ontwikkelingen?
Meld u dan nu aan voor onze gratis nieuwsbrief.